Begripsvorming

Bij leerlingen die het moeilijk vinden te automatiseren tot 10 ligt het probleem vaak in de fasen ervoor. Belangrijk is om dan terug te grijpen naar materiaal. Als blijkt dat nog geteld wordt, heeft tempo maken geen zin. Pas als blijkt dat het met materiaal goed gaat, kan het langzaam aan vlotter. Bij rekenen tot 10 begint het met beelden. Hierbij wordt van het rekenrek alleen de bovenste staaf gebruikt.
Voor ideeën zie de kaart met flitsoefeningen

bijvoorbeeld
• zet op 7, wat zie je?
• zet op 9, wat zie je?
Het is belangrijk dat de kinderen het getal niet alleen kunnen opzetten, maar ook kunnen benoemen.

Bij het rekenen tot 10 worden nog niet echt procedures gebruikt, maar gaat het vooral om het
leren herkennen van somtypen:

  • de 5-structuursommen: alles met 5 erbij en eraf, omkeringen en sommen waar 5 uitkomt.
    • bij 9-5 weet de leerling dat 9 is 5 en 4, dus weet de leerling ook 9-4.
    • bij 8-5 weet de leerling dat 8 is 5 en 3, dus weet de leerling ook 8-3.
    • niet alleen 5+4 is 9, maar ook 4+5.
    • niet alleen 5+3 is 8, maar ook 3+5.
  • omdraaien kaart
  • relatie tussen plus en minsommen
    • de leerkracht vraagt aan de leerling of hij dit ook op het rekenrek kan laten zien.
  • alles eraf of bijna alles eraf sommen: bij deze sommen hoeft de leerling niet te tellen, maar moet ze wel gaan leren herkennen. Belangrijk is om deze sommen altijd te koppelen aan een verhaal.
  • dubbel en bijna dubbel: ook bij deze sommen hoeft de leerling niet te tellen, maar moet de sommen gaan leren herkennen waardoor ze direct het antwoord weet.

Flitsoefeningen

Hierbij wordt van het rekenrek alleen de bovenste staaf gebruikt. 

Relatie + en -

Gebruik hierbij ook de powerpoint viersommen.

  • vriendjes van 10: leerlingen moeten deze veel oefenen. De leerkracht kan de leerling dit met materiaal laten doen, maar het is hierbij aan te raden altijd te vragen of je even mag meekijken. Vaak weten de leerlingen wel de erbij sommen, maar realiseren zich niet dat ze ook eraf sommen weten!
    • zet op het rekenrek 7: wie is er verliefd op 7? 3
  •  +1 en +2 weet de leerling, sprongen van 1 en 2 erbij: ga op zoek naar die sommen en maak alleen die. Vraag altijd na waarom de leerling die sommen weet:
  • -1 en -2 weet de leerling, sprongen van 1 en 2 eraf: ga op zoek naar die sommen en maak alleen die. Vraag altijd na waarom de leerling die sommen weet:

Klik hier voor powerpoint viersommen:

  • geef de leerlingen 3 getallen en laat ze met deze getallen de vier sommen maken: welke vier sommen kan je maken met 3 – 5 – 2?
  • zoek 3 getallen waar je 4 sommen mee kunt maken en maak de 4 sommen
  • deze powerpoint is ook goed te gebruiken bij het verkennen van de relatie tussen + en – sommen. Je kan hier nooit genoeg aandacht aan besteden!

Procedure ontwikkeling

Bij het rekenen tot 10 zijn niet echt strategieën. Als blijkt dat nog geteld wordt, heeft tempo maken geen zin. Pas als blijkt dat het met materiaal goed gaat, kan het langzaam aan vlotter. Bij rekenen tot 10 begint het met beelden. Stimuleer het zoekgedrag naar somtypen met name bij de start van rekenen tot 10 om telgedrag te voorkomen. Het gaat vooral om het
leren herkennen van somtypen.

Nog enkele tips om te komen tot een goede procedure ontwikkeling:

  • Laat getalbeelden verwoorden (vijf-structuur);
  • Zowel bij vingerbeelden als bij het rekenrek: eerst zeggen wat je gaat doen, dan pas doen!
  • Gebruik het rekenrek alleen bij de “moeilijke sommen”: 4+3, 6+3, 7-4, 8-4, 9-6;
  • Bij het rekenrek alleen met de bovenste staaf werken met uitzondering van de dubbele;
  • Laat leerlingen gebruik maken van de vijf-structuur bij optellen en aftrekken;
  • Laat leerlingen die nog tellend rekenen nooit zelfstandig schriftelijk verwerken. Ook dat zullen ze tellend oplossen;
  • Breng de tellers in kaart en blijf hiermee getalbeelden oefenen ( zie flitsoefeningen);
  • Memoriseren komt pas in de laatste fase;
  • Zet tempotoetsen niet te vroeg in; pas als kinderen niet meer tellen.