Starters en spelletjes

voor groep 4

klik hier voor alle groepen

Plankenkoorts

Bouw en sloop met Kapla en Papla.

downloadmaterialen

Haaibaai (SLO)

Haaibaai is een spelconcept. Het idee is heel eenvoudig. Er zijn kaartjes met sommen en kaartjes met antwoorden van sommen. Elk antwoord hoeft maar één keer voor te komen, de sommen kunnen vaker voorkomen. De spelers schudden de sommen en leggen die op een stapel met de sommen naar beneden. De kaartjes met de antwoorden leggen ze open op tafel en ze zorgen dat iedereen er goed bij kan.
Speler 1 draait nu het bovenste kaartje van de stapel open. Iedereen ziet de som. De bedoeling is om nu als eerste zo snel mogelijk op het kaartje op tafel met het goede antwoord te slaan én het antwoord hierbij te roepen. Wie het eerste is én het antwoord goed heeft, krijgt het sommenkaartje (dus niet het antwoordenkaartje).
Speler 2 draait nu een kaartje om en hetzelfde gebeurt weer. Als iemand op een verkeerd antwoord slaat, is de beurt voorbij en mag hij de volgende ronde weer meedoen.
Het spel is afgelopen als alle sommenkaartjes op zijn. Wie de meeste sommenkaartjes heeft, wint het spel.

 

Haaibaai tellen en structureren tot en met 20

Bij deze variant Haaibaai gaat het erom wie aan het eind van het spel de meeste kaartjes heeft. De beginvoorwaarden zijn:

  • Kunnen tellen tot en met 20
  • Getalsymbolen tot en met 20 herkennen

Er zijn verschillende varianten mogelijk t.w. met getalkaartjes, met eurokaartjes en smileykaartjes.

De kinderen leren:

  • Tellen van hoeveelheden tot en met 20
  • Hoeveelheden in één keer te overzien zonder tellen
  • Verkort te tellen en gebruik te maken van de vijf- en tienstructuur
  • Getalsymbolen tot en met 20 te herkennen en te kunnen koppelen aan hoeveelheden

 

Haaibaai optellen en aftrekken onder de 10

Bij deze variant Haaibaai gaat het om memoriseren van optellen en aftrekken tot 10.

 

Haaibaai optellen en aftrekken over de 10

Bij deze variant Haaibaai gaat het om memoriseren van de moeilijkere optellingen en aftrekkingen over de 10.

 

Haaibaai vermenigvuldigen

Bij deze variant Haaibaai gaat het om automatiseren en memoriseren van vermenigvuldigingen van

  • kleine tafels met elkaar
  • kleine tafels met grote tafels
  • grote tafels met elkaar.

Wie ben ik

 

Je kunt de getallen zo groot of klein maken als je zelf wilt.

  1. Plak een sticker met daarop een heel getal tussen 0 en 1000 op de rug van je schoudermaatje;
  2. Loop rond en vorm tweetallen;
  3. A stelt een vraag waarop B alleen met ja of nee mag antwoorden. Dan de rollen omdraaien;
  4. Partners bedanken elkaar en nemen afscheid;
  5. Weer rondlopen en nieuwe tweetallen vormen, stap 2 t/m 4 herhalen. Doorgaan tot je weet welk getal je bent;
  6. Weet je wie je bent: getal op je buik plakken. Blijf beschikbaar om vragen te beantwoorden.

Geheim getal

Je kunt het getal zo klein of groot maken als je zelf wilt.

 

Materiaal

  • 2 pennen
  • 2 kladblaadjes

Aantal spelers

  • 2-4 of heel de klas tegen de juf/meester

Doel van het spel

  • Wie het geheime getal in zo min mogelijk beurten raadt, is de winnaar!

 

 

Start

Beide spelers (of tweetallen) hebben een blaadje en een pen. Eén speler schrijft een getal (van 1, 2, 3, 4 of 5 cijfers) op een kladblaadje en houdt dit getal verborgen voor de andere speler. Hij vertelt aan de andere speler uit hoeveel cijfers zijn getal bestaat. Jullie moeten samen beslissen of cijfers vaker voor mogen komen.

Spel

De ene speler (A) bedenkt een getal en zet dat zonder dat de ander (speler B) het ziet op een blaadje. Dan vertelt hij uit hoeveel cijfers het getal bestaat. Speler B schrijft een getal op, met het juiste aantal cijfers.

A geeft aan:

  • of het getal hoger (B zet pijltje omhoog) of lager (B zet pijltje omlaag) is;
  • of er cijfers op de goede plaats staan, bijvoorbeeld: “het tiental is goed” (B zet een rondje om het tiental);
  • of er cijfers in staan die wel in het getal voorkomen, maar op een andere plaats staan, bijvoorbeeld: “er zit een zeven in maar niet als honderdtal” (B zet een streepje onder de 7).

Speler B schrijft op wat hij nu denkt dat het getal is. Speler A vertelt weer welke cijfers erin voorkomen, welke op de goede plaats staan en of het te raden getal hoger of lager is. Zo gaan de spelers door tot B het getal geraden heeft. In hoeveel beurten?

Als het getal geraden is, draaien de spelers de rollen om.

Tabula

Tabula was een Romeins bordspel. Er wordt verondersteld dat het een voorloper was van het moderne backgammon.

Er zijn vele varianten op te maken door verandering aan te brengen in materiaal, spelregels en aantal spelers.

Landjepik

In Landjepik versterken twee spelideeën elkaar.
Eén daarvan is ‘landje veroveren’,  het andere lijkt op dat van het bekende 24-game.

Een rijtje van 100

Rijtjes maken met een bepaald algoritme.

Het volgende rijtje is gemaakt door steeds de vorige twee getallen op te tellen. Er is begonnen met twee willekeurige getallen:

3      5      8      13      21

 

  • Maak nu zelf ook zo’n rijtje van vijf getallen, maar dan één waarvan het laatste getal zo dicht mogelijk in de buurt van 100 uitkomt;
  • of in de buurt van 50.
antwoord

Een voorbeeld voor een oplossing:

  • 14    24    38   62   100
  • 20    20    40    60  100

of in de buurt van 50 bijvoorbeeld:

  • 7     12      19     31     50

Bijna 100?

Spelidee
Met een gewone dobbelsteen drie getallen maken die samen zo dicht mogelijk bij 100 uitkomen. De worpen van de dobbelsteen kunnen daarbij ingezet worden als tientallen of als eenheden.

Groep en leerstof
Een spel voor de groepen 4 en 5 in het getalgebied rond 100. De positiewaarde van de cijfers en optellen staan centraal.

Speeltijd, aantal spelers en spelmateriaal
Een potje duurt 5 minuten. Het aantal spelers is onbeperkt. Alleen pen, papier, twee gewone dobbelstenen en een werkblad zijn nodig.

Spelbeschrijving
Iedere speler maakt op zijn vel papier drie keer twee vakken of gebruikt het formulier dat staat bij downloadmaterialen. De spelers gooien om de beurt met de twee dobbelstenen en noteren de waarde van hun worp in twee van de zes vakken. Dat gebeurt drie keer. Alle vakken zijn dan gevuld en er zijn drie getallen gemaakt (zie figuur 2). De figuur zorgt voor een duidelijke positienotering. De drie getallen worden opgeteld. Tenslotte wordt het verschil met 100 bepaald. De speler met het kleinste verschil is de winnaar.

In figuur 2 staan twee voorbeelden. Speler A heeft als som 82. Dat levert 18 op als verschil met 100. Bij speler B is de som 121 en het verschil met 100 bedraagt 21. Speler A heeft dus gewonnen.

 

Varianten

  1. Een variant voor groep 4 is het spel “Bijna 100”.
  2. Een aantal rondjes spelen. De punten (de verschillen met 1000) van de rondjes worden opgeteld. Wie aan het eind het kleinste aantal punten heeft, is de winnaar.
  3. Er zijn in totaal maar negen worpen. Elke worp geldt voor alle spelers. Deze variant leent zich goed voor een spelletje met heel de klas.
downloadmaterialen

Het terras

Drie mensen gaan wat drinken. 
Ze moeten samen € 25 afrekenen. Ze betalen elk € 10. De ober geeft 5 losse euro’s terug.
De drie besluiten om ieder 1 euro te pakken en 2 euro fooi te laten liggen voor de ober. Ze hebben dan elk 9 euro betaald en 2 euro fooi voor de ober.

3 x 9 = 27

27 + 2 = 29

Waar is die ene euro gebleven? Ze hebben immers 3×10 euro betaald?

antwoord

Altijd mooi om te zien hoe je op deze manier in de war gebracht kan worden.

Er is natuurlijk geen euro weg. Bedenk goed wat de context is.

Ze hebben allemaal uiteindelijk 9 euro per persoon betaald. 3  x 9 euro is inderdaad 27 euro. Maar ze moesten 25 euro betalen. En dus heeft de ober 2 euro fooi.